De Goudse Dichtersschool 
tot nu toe

Het initiatief voor de Goudse Dichtersschool is midden in de lockdown begonnen, in het najaar van 2020. In 2024 verwachten we aan de vijfde leergang te kunnen beginnen. Jaarlijks doen tussen de 12 en 15 personen mee. We zien een steeds bredere kring deelnemers, ook van buiten Gouda, maar ook een behoorlijke groep die meer dan eens aan de leergang wil deelnemen. Het zorgt in ieder geval voor levendige bijeenkomst en een trouwe opkomst. Deelname levert veel op. Sommige zaken zijn niet tastbaar, zoals het krijgen van nieuwe gedichten, het luisteren naar elkaars voordracht of gewoon de gesprekken er omheen, maar een deel is zichtbaar. Zo wordt aan het einde van elke leergang een bundel gepresenteerd met gedichten uit de leergang. Elke deelnemer draagt één gedicht bij.

Hieronder de voorkanten van de tot nu toe verschenen bundels met een link naar de teksten.     

Soms zelfs geen gedicht

Soms ontstaat er ook iets dat zelf geen gedicht is, maar gedaan wordt naar aanleiding van het voordragen van een gedicht. Ten minste 2 van elke 8 bijeenkomsten van een leergang staat in het teken van een voordracht, ook omdat daar het schrijven van een gedicht ook beter van wordt. In de vierde leergang werd om die reden het beroemde gedicht van Willem Elsschot (1882-1960) over Het Huwelijk gebruikt bij een opdracht, met bekende regels als “tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren”. (Zie hiernaast;  gedicht (nr. 181)

Er was één interpretatie van twee deelnemers die geen voordracht meer was, maar een spontane vertaling in de vorm van een toneelstuk. Omdat deze zo bijzonder was, wordt de video ervan hieronder getoond:      

Het is prachtig, maar niet alles hoeft zo dramatisch. Integendeel. Iedere dichter begint waar hij of zij is en wordt van daaruit geholpen met tips en aanmoedigingen. Het laat vooral zien de vrijheid van waaruit geëxperimenteerd kan worden met onze mooie taal. 

gedicht (nr. 181): Het Huwelijk

Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijd
in d'ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven,
haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven
toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.

Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij de baard
en mat haar met de blik, maar kon niet meer begeren,
hij zag de grootse zonde in duivelsplicht verkeren
en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.

Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond
het merg uit haar gebeente, dat haar toch bleef dragen.
Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen,
en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.

Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen
en rennen door het vuur en door het water plassen
tot bij een ander lief in enig ander land.

Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad
staan wetten in de weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.

Zo gingen jaren heen. De kindren werden groot
en zagen dat de man die zij hun vader heetten,
bewegingloos en zwijgend bij het vuur gezeten,
een godvergeten en vervaarlijke aanblik bood.

------------------------------------------------------
uit: Verzen van Willem Elsschot (1882-1960)