Volgend jaar wordt het korter

Of ik voor Gouda bij kaarslicht een gedicht wil voordragen in de huiskamer aan de Keizerstraat. Er slaat bij mij geen paniek toe, maar ongemakkelijk voel ik me wel. Het gedicht van vorig jaar wil ik niet gebruiken, er moet iets nieuws komen. Maar wat?

Dan denk ik aan de kerstnachten uit mijn kinderjaren. Als ik daar met behulp van wat fantasie en werkelijkheid eens iets mee deed.

Al schrijvende ontstaat er iets en krijg ik er plezier in om terug te keren naar de kerstnachten van weleer. De aaneengeregen regels maken het prozagedicht alsmaar langer. Als ik de voordracht oefen, blijkt het vijf minuten te duren. Is dat niet veel te lang?

Ik draag het voor aan het groepje Zomerdichters. Met hun reactie en bewering dat ik niets moet schrappen, durf ik de presentatie wel aan.

Zelfverzekerd heb ik het die vrijdagmiddag en -avond voorgedragen. Ik maakte me niet druk om de vraag of er mensen in de huiskamer zaten die mogelijk dachten: 

‘Gaat dit nog lang duren’. Voor hen hierbij mijn belofte. Volgend jaar zal ik het korter houden.

Marai Ebben